Ga naar hoofdinhoud

GIR Basisdata Berichten

Versie: Procesbeschrijving v1

Conceptueel Model

Deze sectie Conceptueel Datamodel geeft een overzicht van de onderliggende structuur van het register. Het legt de kernbegrippen en relaties tussen verschillende data-elementen uit en legt de basis voor de rest van de architectuur. Deze sectie is ontworpen om een begrip op hoofdlijnen te bieden van de data-architectuur van het systeem, waardoor het een waardevolle bron is voor zowel technische als niet-technische lezers.

Conceptuel model
Figuur: Conceptueel model

Proces

Het idee van het Gebouw Installatie Register (GIR) is dat installaties en componenten worden geregistreerd in één register. Met informatie uit dat register kun je in vervolgstappen meer informatie inwinnen over deze installaties en componenten. Een voorbeeld: via het register is van een component binnen een bepaalde installatie de desbetreffende ETIM-klasse van een product op te vragen. Via deze sleutel zijn de productkenmerken op te vragen bij een datapool (denk bijvoorbeeld aan 2BA).

Vanuit het GIR zijn er technisch gezien twee partijen te onderscheiden: partijen die registreren en partijen die opvragen. Voor opvragende partijen zijn de POST- en GET-calls beschikbaar. Voor een partij die wil registreren zijn wat extra stappen van belang voor de implementatie. Voor de registratie richting het register is een gewone POST-call beschikbaar (zie API-documentatie), maar de software moet vooraf een aantal zaken weten om een juiste registratie te kunnen doen:

Stap 1: Is het product geregistreerd op de datapool (happy flow) of niet (unhappy flow)?

Stap 2: De ETIM-klasse moet worden meegegeven in de registratie richting het GIR. Dit wordt wel afgedwongen in het schema, maar dit kan samengaan met stap 1. Door te controleren of het product geregistreerd is bij een datapool, krijg je ook de juiste ETIM-klasse mee.

De twee scenario's hier schematisch weergegeven:

Happy en unhappy flow
Figuur: Happy en unhappy flow

Productdatabases

Zoals aangegeven is er 2-trapsraket mogelijk vanuit het GIR. Productinformatie zelf wordt niet opgeslagen in de GIR-systemen, maar is beschikbaar via andere bronnen zoals Productdatabases. Vanuit het concepuele model: naar Producten wordt verwezen door Componenten. Een Component is een instantie van een Product dat is geïnstalleerd als onderdeel van een Installatie.

In principe is het ook mogelijk om installatiegerelateerde data uit andere bronnen op te halen. Productinformatie is toegankelijk via (openbare) bronnen op basis van de bekende GTIN en ProductCode/GLN-combinatie. Deze aanpak is echter minder geschikt voor geautomatiseerde verwerking.

Generieke productdata zullen nooit in de GIR zelf worden opgeslagen. Alleen de identificatiecode en specifieke informatie gerelateerd aan het component/product worden vastgelegd.

Belangrijke structuren GIRBasisdata

Installatie

Een Installatie is een verzameling van Componenten die samen een specifieke functie vervullen op een Locatie (bijv. een Verblijfsobject). De Installatie dient als de kernentiteit waaraan alle andere entiteiten binnen het register kunnen worden gekoppeld.

Een Installatie kan niet op een generieke wijze worden geïdentificeerd. In plaats daarvan wordt deze gedefinieerd door de persoon die de Installatie registreert. Als er geen ID wordt opgegeven, zal het systeem er automatisch een toewijzen (GUID). Gebruikers hebben echter de mogelijkheid om een ID te specificeren, waarbij GIAI de voorkeur heeft.

Momenteel worden Installaties geclassificeerd op basis van hun functie met behulp van de NL-SfB-systematiek. Deze classificatie helpt het type Installatie te bepalen dat wordt geregistreerd en wordt ook gebruikt om toepasselijke regelgeving voor toekomstige toepassingen te identificeren.

Component

Een Component is een onderdeel van een Installatie en vertegenwoordigt een instantie van een Product. Bijvoorbeeld, een Ketel Component kan deel uitmaken van een Centrale Verwarmingsinstallatie.

Typisch behoort een Component tot één enkele Installatie, en de meeste Installaties bestaan uit slechts één Component. Sommige Installaties bestaan echter uit meerdere Componenten, zoals cascadesystemen. Omgekeerd kan een Component ook aan meerdere Installaties zijn gekoppeld. Bijvoorbeeld, een Slimme Energiemeter Component kan zowel bij een Zonne-energie Installatie als bij een Gasgestookte Verwarming Installatie horen.

Componenten zijn identificeerbaar in de fysieke wereld door een uniek serienummer dat aanwezig is op het Component. De voorkeursvolgorde van identificatie is als volgt:

SGTIN – Een uniek serienummer toegewezen aan de fabrikant door GS1. Serienummer – Een unieke (mogelijk niet-gestandaardiseerde) tuple verstrekt door de fabrikant Door gebruiker aangebracht nummer – Een nummer toegewezen door de registrant en fysiek op het Component geschreven.

Dit nummer is een kritiek kenmerk in het systeem omdat het in de echte wereld kan worden gevonden, en dient als een snelle ingang om het Component en de bijbehorende Installatie te lokaliseren.

Een Component mag nooit generieke Productinformatie over het bijbehorende Product bevatten. Bepaalde ogenschijnlijk generieke details kunnen echter voor elk specifiek Component worden geconfigureerd. In dergelijke gevallen moet deze informatie specifiek relevant zijn voor het Component. De info wordt bij voorkeur opgeslagen met behulp van ETIM Kenmerken in een key-value set.

Product

Een Product is een item geproduceerd door een Fabrikant. Wanneer een Fabrikant een Product creëert, worden individuele Eenheden geproduceerd. Eenmaal geïnstalleerd, wordt zo'n Eenheid geregistreerd als een Component binnen de GIR. Producten hebben typisch een Merk, Model en Versie.

Een Product wordt geïdentificeerd door een GTIN uitgegeven door GS1. Aangezien deze nummers worden beheerd door GS1, zijn ze wereldwijd uniek. Sommige fabrikanten kunnen er echter voor kiezen geen GTIN te gebruiken. In dergelijke gevallen wijzen zij hun eigen ProductCode toe, die niet gegarandeerd wereldwijd uniek is. Om unieke identificatie te garanderen, wordt de GLN van de fabrikant toegevoegd. De combinatie van GLN en ProductCode creëert een wereldwijd unieke identificatiecode.

Producten worden geclassificeerd met een ETIM Klasse, die het type Product definieert. Deze Classificatie wordt overgenomen op Componentniveau in de GIR en moet consistent blijven. ETIM Klassen bevatten ETIM Kenmerken, die de specifieke eigenschappen beschrijven die een Product kan hebben. Elk kenmerk kan een toegewezen waarde hebben voor een bepaald Product. Hoewel deze informatie de registratie in GIR verbetert, wordt deze niet in de GIR zelf opgeslagen, maar in specifieke Productdatabases.

Fabrikant

De Fabrikant van een Product speelt een rol in de GIR omdat deze bijdraagt aan productidentificatie, vooral wanneer een GTIN niet beschikbaar is en in plaats daarvan een ProductCode wordt gebruikt.

Locaties

Een Locatie beschrijft waar de Installatie zich bevindt. Alleen een verwijzing naar de locatie wordt opgeslagen in GIR. Er zijn verschillende manieren om de locatie te beschrijven. Bijvoorbeeld GeoCoördinaten, Postcode en het Kadastraal Verblijfsobject. Let op dat momenteel slechts één type verwijzing wordt ondersteund, namelijk het Verblijfsobject (Kadaster Verblijfsobject).

Het datamodel moet het toevoegen van meerdere typen verwijzingen mogelijk maken. In de nabije toekomst zal GLN worden toegevoegd.

Verblijfsobject (Kadaster Verblijfsobject)

De locatie van een Installatie wordt in het GIR als eerst bepaald aan de hand van het Verblijfsobject zoals dit is vastgelegd in het Nederlands Kadaster. Ieder Verblijfsobject heeft een uniek nummer (vboID). Een Verblijfsobject is terug te leiden aan een Adresseerdbaar Object en Plaats.

Locatie GLN

Een aantal Locaties is nader gedefinieerd met behulp van een Global Location Number. Dit wereldwijd unieke nummer wordt uitgegeven door GS1 en kan worden toegekend aan een specifieke locatie die mogelijk nog specifieker is dan het Verblijfsobject.

Classificatiesystemen

Met behulp van Classificatiesystemen kunnen Installaties en Componenten algemeen gegroepeerd en geïdentificeerd worden. Het soort Installatie of het soort Component bepaalt wat voor wetten en regelgeving van toepassing zijn. Ook het soort eigenschappen dat een component heeft kan worden vastgesteld aan de hand van de classificatie.

Installatie Classificatie: NL-SfB

Installaties zijn elementen die een functie vervullen binnen een gebouw. Een geschikt classificatiemodel voor deze elementen is NL-SfB. Elke Installatie in GIR wordt geclassificeerd op Elementniveau 3 volgens de NL-SfB-systematiek.

Component Classificatie: ETIM Klassen

Op Componentniveau wordt ETIM Klasse classificatie gebruikt. De classificatie wordt overgenomen van het Product dat is geïnstalleerd.

Logisch Datamodel

Zie de Semantic Treehouse documentatie voor het berichtenmodel dat wordt gebruikt in de schema's voor het opbouwen van de Open API Specificaties.

API Calls

Informatie over installaties in gebouwen wordt uitgewisseld via API berichten. Deze berichten zijn in REST-formaat en worden beschreven op basis van DICO-berichten zoals gedefinieerd door Ketenstandaard. Deze sectie beschrijft het DICO-formaat dat moet worden gebruikt. De volledige API-documentatie is te vinden in Semantic Treehouse.